Locatie
Zwartewatersklooster  l  Hasselt  l  ANWB 1914/34


Het Zwartewaterklooster

Van 1233 tot ca. 1580 stond op deze plaats het Zwartewaterklooster. Dit was een Benedictijner vrouwenklooster dat gesticht werd om de bij de slag bij Ane gesneuvelde ridders te herdenken. Men geloofde dat het klooster het zielenheil van de ridders bij God zou bevorderen. Ook de legeraanvoerder, de Utrechtse Bisschop Otto II van Lippe, kwam bij de slag om. Onder de doden bevonden zich belangrijke ridders en edelen uit het aartsbisdom Keulen. Zo waren er veel veteranen bij uit het kruisleger van de vijfde kruistocht, die plaatsvond rond de Egyptische stad Damiate van 1218 t/m 1219. Het aartsbisdom Keulen bestond uit meerdere bisdommen, waaronder het bisdom Utrecht.
Toen Otto II van Lippe overleed, volgde Wilbrand van Oldenburg hem op. Het stichten van het klooster was echter vooral het initiatief van graaf Boudewijn I van Bentheim, de neef van Wilbrand. Beide mannen stamden uit het huis van de Hollandse Graven. In de tijd van de kruistochten waren er veel weduwen. Dit kwam doordat veel mannen niet terugkeerden van deze gevaarlijke tochten. Dit vrouwenoverschot is vermoedelijk de reden geweest om voor een vrouwenklooster te kiezen. Het klooster was grotendeels zelfvoorzienend en had zelfs een eigen school. De gewijde koornonnen hadden als eerste taak om te bidden voor het zielenheil van de omgekomen edelen. Het memoriegebed was het gebed waarin de edelen herdacht werden en was een belangrijk onderdeel van hun zang en gebed.
Na de reformatie werd de kapel van het klooster verwoest en werden de drie overgebleven kloosterpanden ingericht tot boerderijen. Deze boerderijen werden rond 1780 afgebroken omdat ze in slechte staat waren en ten noorden van de kloosterplaats opnieuw opgebouwd op de plaats waar zij nu nog staan.


Das Zwartewater-Kloster

Von 1233 bis ca. 1580 befand sich an dieser Stelle das Zwartewater-Kloster. Ein Nonnenkloster der Benediktiner, das zum Gedenken der bei der Schlacht von Ane gefallenen Ritter gegründet worden war. Man glaubte, dass das Kloster die Erlösung der Ritter bei Gott stärken würde. Auch der Kommandant des Heers, der Utrechter Bischof Otto II. von Lippe, fiel in der Schlacht. Unter den Toten befanden sich bedeutende Ritter und Adlige aus dem Erzbistum Köln. So waren viele ehemalige Kreuzfahrer des fünften Kreuzzugs dabei, der von 1218 bis 1219 rund um die ägyptische Stadt Damiette stattfand. Die Erzdiözese Köln bestand aus mehreren Bistümern, darunter dem Bistum Utrecht.
Nach dem Tod von Otto II. war Wilbrand von Oldenburg dessen Nachfolger. Die Gründung des Klosters veranlasste vor allem Graf Balduin I. von Bentheim, der Cousin von Wilbrand. Beide Männer stammten aus dem Haus der Grafen von Holland. Zur Zeit der Kreuzzüge gab es viele Witwen, da viele Männer von diesen gefährlichen Reisen nicht heimkehrten. Der Frauenüberschuss war wahrscheinlich der Grund, warum man sich für ein Frauenkloster entschied. Das Kloster war weitgehend autark und hatte sogar eine eigene Schule. Die erste Aufgabe der geweihten Chorschwestern bestand darin, für die Erlösung der gefallenen Adligen zu beten. Das Gedenkgebet war das Gebet, in dem die Nonnen der Adligen gedachten und war ein wichtiger Bestandteil ihres Gesangs und ihrer Fürbitten.
Nach der Reformation wurde die Kapelle des Klosters zerstört und die drei übrig gebliebenen Klostergebäude wurden zu Bauernhöfen umgebaut. Die Höfe wurden um 1780 abgerissen, weil sie sich in einem schlechten Zustand befanden und nördlich des Klosters an der Stelle, an der sie jetzt noch stehen, wieder aufgebaut.


Black Water Convent

This is where the Zwartewaterklooster (Black Water Convent) stood from 1233 to circa 1570. It was a cloister for Benedictine nuns that was founded in memory of the knights who perished in the battle of Ane. It was believed that the convent would serve to promote God’s salvation of the knights’ eternal souls. The man who led the army, Bishop of Utrecht Otto II van Lippe, also died in the battle. Those killed included many important knights and noblemen from the archdiocese of Cologne. Many of them were veterans of the Fifth Crusade, who took part in fighting for, and the siege of, the Egyptian city of Damietta from 1218 to 1219. The archdiocese of Cologne comprised many smaller dioceses, including the bishopric of Utrecht.
After Otto II van Lippe’s death, he was succeeded by Wilbrand van Oldenburg. However, the foundation of the convent was mainly the work of Count Baldwin I of Bentheim, who was a relative of Wilbrand. Both men were progeny of the house of the Counts of Holland. There were many widows at the time of the crusades. This was because of the many men who failed to return from these hazardous treks to the Middle East. The number of women left without husbands may well account for the decision to establish a female cloister. The convent was largely able to provide for its own needs and even had its own school. The primary duty of the consecrated, contemplative nuns was to pray for the eternal salvation of the souls of the nobles who had perished. They said special memorial prayers to remember the noblemen, and these formed a significant part of their daily singing and prayers.
After the Protestant Reformation, the convent chapel was destroyed, and the three remaining convent buildings were converted to use as farmhouses. These farmhouses were pulled down around 1780 because of their dilapidated condition and rebuilt to the north of the old convent, where they still stand to this day.


Canon van Zwartewaterland

Meer informatie in de Canon van Zwartewaterland: Het Zwartewaterklooster

Filmpje op Youtube
Het mysterie van het Zwartewatersklooster